Geschiedenis 2017-07-11T08:43:01+00:00

Geschiedenis

De eerste zusters franciscanessen in Nederland kwamen uit Duitsland. Door de Kulturkampf (zie internationale geschiedenis) waren zij als een soort fondsenwervers gedwongen de grens over te gaan om geld in te zamelen voor het moederhuis en hun weeshuizen in Salzkotten. In 1874 arriveerden de eerste twee zusters in Nederland. Al spoedig volgden meerdere collectereizen, tot duidelijk werd dat de situatie in Duitsland zo nijpend was dat zusters permanent onderdak in de buurlanden moesten gaan zoeken. Op uitnodiging van pastoors richtten de zusters in vijf jaar tijd 15 huizen in Nederland op, waar zij woonden  en werkten (Noordwijk, Bodegraven, Vlissingen, Bovenkerk, Uithoorn, Nieuwveen, Warmond, Wervershoof, Zierikzee, Sappemeer, Breukelen, Leimuiden, Wognum, Nederhorst Den Berg, Westwoud).

Verdere uitbreiding
Vanaf 1885 kwamen daar nog huizen in Haarlem, Brielle, Gouda, Spierdijk, Overveen, Zandvoort, IJmuiden en Bedum bij. Hieruit spreekt duidelijk dat de zusters franciscanessen gewaardeerde krachten waren bij inrichting van het katholieke onderwijs. Dat begon zich net te ontwikkelen nadat onder Koning Willem I (rond 1850) het katholieke geloof weer in de openbare ruimte was toegestaan. Waar de zusters zich vestigden begonnen zij op verzoek van het parochiebestuur met een bewaarschool (kleuterschool) of een naaischool, regelmatig ook een weeshuis, of later een pensionaat voor kinderen. In sommige steden werden ziekenhuizen opgericht dankzij de inspanningen van de zusters (Haarlem – Mariastichting, IJmuiden – Anthoniusziekenhuis, Wassenaar – Jacobusstichting/Ursulakliniek, Vlissingen – St Josephziekenhuis, Zierikzee – Corneliastichting).

Eerste Wereldoorlog
Maar deze pionierstijd is geen succesverhaal zonder inspanningen. In die beginjaren tot de Eerste Wereldoorlog leden de zusters vaak bittere armoe. Ze hadden vaak geen eigen inkomsten, waren afhankelijk van het parochiebestuur en de goede gaven van de mensen. Dag en nacht ging hun leven van gebed en werk door. De verantwoordelijkheid voor de kinderen, zieken of ouderen woog zwaar. Hun roeping tot beschikbaarheid en onbaatzuchtigheid ging ook wel eens ten koste van henzelf. Dankzij hun bekwame inzet, ijver en opofferingsgezindheid is er veel tot stand gekomen.

Eigen provincie
Omdat zoveel Nederlandse meisjes om opname in de congregatie vroegen kreeg Nederland in 1920 de status van een aparte provincie. Ruim twee jaar later werd een moederhuis en noviciaatshuis gevonden in de villa Boekenroode te Aerdenhout. Het landgoed werd omgedoopt tot ‘Alverna’, ontleend aan de berg in Italië waar Franciscus de stigmata van Christus ontving. Op 6 juni 1927 werd de pauselijke goedkeuring voor onze regel en constituties verkregen. De Nederlandse provincie van de zusters franciscanessen was nu een feit. Door de jaren heen verrezen grote nieuwe gebouwen op dit terrein. In haar hoogtijdagen woonden er wel 150 zusters in Alverna en telde de provincie ruim 600 zusters.

Tweede Wereldoorlog
Voor de Duitse zusters in onze provincie was de Tweede Wereldoorlog een heel moeilijke tijd. Niet alleen om de onzekerheid over familie. Daar hadden ook de Nederlandse zusters het mee te stellen. Alles wat naar Duitsland verwees, riep weerstand op. De onderlinge solidariteit werd op de proef gesteld. Verhalen van zusters uit die tijden laten zien dat het gebed een bron van troost en bemoediging was om verbonden en mild te blijven.

Nieuwe tijden
Na de oorlog veranderde de tijdgeest. De emancipatie van de zestiger jaren drong ook bij de religieuze gemeenschappen binnen. Het Tweede Vaticaans Concilie (1963-1965) maakte ruimte voor veranderingen in de katholieke kerk, zoals ook in de maatschappij veel veranderde. De liturgie gebeurde in de volkstaal. Vertrouwde voorschriften verloren hun gezag. In die jaren kwamen in zorg en onderwijs steeds meer leken te werken. In die tijd nam de Nederlandse Provincie van onze congregatie het besluit geen nieuwe intredingen meer toe te laten. We onderkenden dat het tijdperk van actieve religieuze gemeenschappen voorbij aan het gaan was. Het is aan jongere generaties om zelf te bezien hoe het evangelisch appèl tot barmhartigheid en solidariteit vorm kan krijgen in deze tijd.